Janácek (2002)

POHÁDKA

het zingt alle kanten op
het is er groen
bijna niks een zandpad

waar je voor het eerst loopt
in het dagelijkse
onbekende

vraagt niet, zo voorbij
vanzelf

’s avonds
in een andere gewone
taal naar bed

naar dromen andere
dagen zon en regen zo

een leven door en nog een
zonder ook maar iets
te weten vragen ergens
te komen

bijna niks een zandpad
door het groen

ouderwets sprookje (2014)

OUDERWETS SPROOKJE

 

(voor bijvoorbeeld B. van den Sigtenhorst Meyer)

 

magere geesten met mensengezichtjes
sluipen geluidloos langs, misprijzend, proberen
telkens toch weer de trede, zonschaduwkrieuwelend
naar het terras

verboden! knarskrijst het dradige koor
dat de knikkende bloemen bewaakt die dagelijks
paarsroze, oranje enkel de zon langs dromen
tot ze gevonden worden

hun verdorde zusjes laten ze gedachteloos maar
uit hun midden naar beneden dwarrelen

op de droge tegels neer of erger
in de waterplas die in de vroege middaghitte, waterglas
ligt weg te drogen

knik van nee in de wind hij bulderlacht erom
van nee alle zusjes van nee, de scherpe kleurige

behalve de oude warrige zeeden schudt langzaam maar
jaaa jaaa jaaaa

de geestjes sluipen voorbij nu
kijken strak voor zich

onbekende (2009)

tussen
het bewegen van bladeren bewegen van
schaduwen van bladeren takken
schaduwen van takken

zonlicht hier en schaduw en weer
verder zonplek schaduwplek

brandend weerkaatste zonnelichtplek
en scherpe handschaduw

rinkelende grassprietenschaduwtjes
tafelblad- en stoelzittingzonlichtspleten
kiezelhobbelend

golven van groendonkerglinstermassa
welven zwellen of juist opwaaien
of strijken of juist wittegrijs blootwaaien

tussen
medeklinkers gonsgolvend slissen
of afzonderlijk ritselt in tiprakende ontelbare geluidjes
snelvliegend valgolvend van de ene
in de andere hoogte over elkaar

aangolvend afnemend weer zwelvend weer
zacht zwachter voldikker
bijna oorverdovend lijkend te worden dat het
ergens van borstbinnen ook gaat
staan bollen gaat zweljeuken

tussen: levenslang
met het botte potlood smalle gummetje
eindeloos toontjes bijschrijvend veranderend het
eindelijk ontoevallige massieve ruisen slissen
sissen toon voor toontje wolken met

te weinig waarden
voor te flakkerende klankmassa’s bollingen ver
maar koppig alsmaar
blijven naderen naderen

onbekende (2015)

op de rand een muur
waar je net overheen kijkt

je kunt de diepte in
waar velden, boompartijen wegstromen

daar windmuziek bij denken breedlagig veeltonig
langswaaiend, ritselrijk van hoogte, diepte
een ruismidden van boomtoppenloof
dat net onder ooghoogte beweging maakt

je kunt dat niet doen—de scherpte dan van de muurrand
tegen blauw met vele soorten bollende wolken
sommige dreigend donker—en

het valt stil met trage klanken, hooggestapeld
herhaald in zwellende onbegrensde
weer slinkende brede vormen, dit

zijn al twee bedachte stukken
die je verder zou kunnen beschrijven, net zolang
tot ze er bijna zijn—word dan, vanzelf

een componist uit een klein land
dat niet mee hoeft te doen omdat ze

voldoende muren hebben, dalen, bomen,
lange wegen waar niet veel voorbijkomt