Debussy (2004)

paradis artificiaux ach Debussy
die een hele tijd heel serieus
probeerde Russisch componist
te worden niet verklappen
nee niet verklappen of juist wel
pararadijzenaar rareizenaar maar

hoe serieuzer hoe meer moeite
des te verwonderder de dooiedingenwereld bijna
groeide ergens een ander Rusland

Niemann (2010)

NIEMANN

als dit algemeen valt te verwoorden
is er dan wat aangetoond?

je hebt er
die niks vertellen bijna
zelf denken ze van wel ze
willen iets vertellen vertellen alsmaar

maar dat is niet zo zo
gebruiken ze wat door anderen
al zo vaak gebruikt is dat

het niet meer zichtbaar hoorbaar is

je denkt dat je het weet wat het betekent
maar het is er al niet meer

het was er al zo vaak

juist dan moeten we opletten
want ze zijn wat aan het doen

ze zijn verslaafd op zoek alsmaar
naar thuiskomst alsmaar in

bestaande beelden

in de glinsterende stilstand van geluk

Niemann (2009)

het landschap heeft kleuren
heel ver weg
een streep witlicht
en stopt
in schaduw op een muur

een hand met bleke vingers drukke
losse tonen

interieurfoto’s met veel zwart
met zijn zuster

hij leefde nog tot 1953
in dit appartementenblok in Leipzig

foto van de voordeur

(wellicht ooit sierlijk die paarse beeldspraak
rond de disteltitels

en wat een slecht portret met
vieze rode lippen onder
de strogele harensnor)

(Walter Niemann)

Janácek (2002)

POHÁDKA

het zingt alle kanten op
het is er groen
bijna niks een zandpad

waar je voor het eerst loopt
in het dagelijkse
onbekende

vraagt niet, zo voorbij
vanzelf

’s avonds
in een andere gewone
taal naar bed

naar dromen andere
dagen zon en regen zo

een leven door en nog een
zonder ook maar iets
te weten vragen ergens
te komen

bijna niks een zandpad
door het groen

ouderwets sprookje (2014)

OUDERWETS SPROOKJE

(voor bijvoorbeeld
B. van den Sigtenhorst Meyer)
magere geesten met mensengezichtjes
sluipen geluidloos langs, misprijzend, proberen
telkens toch weer de trede, zonschaduwkrieuwelend
naar het terras

verboden! knarskrijst het dradige koor
dat de knikkende bloemen bewaakt die dagelijks
paarsroze, oranje enkel de zon langs dromen
tot ze gevonden worden

hun verdorde zusjes laten ze gedachteloos maar
uit hun midden naar beneden dwarrelen

op de droge tegels neer of erger
in de waterplas die in de vroege middaghitte, waterglas
ligt weg te drogen

knik van nee in de wind hij bulderlacht erom
van nee alle zusjes van nee, de scherpe kleurige

behalve de oude warrige zeeden schudt langzaam maar
jaaa jaaa jaaaa

de geestjes sluipen voorbij nu
kijken strak voor zich

onbekende (2009)

tussen
het bewegen van bladeren bewegen van
schaduwen van bladeren takken
schaduwen van takken

zonlicht hier en schaduw en weer
verder zonplek schaduwplek

brandend weerkaatste zonnelichtplek
en scherpe handschaduw

rinkelende grassprietenschaduwtjes
tafelblad- en stoelzittingzonlichtspleten
kiezelhobbelend

golven van groendonkerglinstermassa
welven zwellen of juist opwaaien
of strijken of juist wittegrijs blootwaaien

tussen
medeklinkers gonsgolvend slissen
of afzonderlijk ritselt in tiprakende ontelbare geluidjes
snelvliegend valgolvend van de ene
in de andere hoogte over elkaar

aangolvend afnemend weer zwelvend weer
zacht zwachter voldikker
bijna oorverdovend lijkend te worden dat het
ergens van borstbinnen ook gaat
staan bollen gaat zweljeuken

tussen: levenslang
met het botte potlood smalle gummetje
eindeloos toontjes bijschrijvend veranderend het
eindelijk ontoevallige massieve ruisen slissen
sissen toon voor toontje wolken met

te weinig waarden
voor te flakkerende klankmassa’s bollingen ver
maar koppig alsmaar
blijven naderen naderen

onbekende (2015)

op de rand een muur
waar je net overheen kijkt

je kunt de diepte in
waar velden, boompartijen wegstromen

daar windmuziek bij denken breedlagig veeltonig
langswaaiend, ritselrijk van hoogte, diepte
een ruismidden van boomtoppenloof
dat net onder ooghoogte beweging maakt

je kunt dat niet doen—de scherpte dan van de muurrand
tegen blauw met vele soorten bollende wolken
sommige dreigend donker—en

het valt stil met trage klanken, hooggestapeld
herhaald in zwellende onbegrensde
weer slinkende brede vormen, dit

zijn al twee bedachte stukken
die je verder zou kunnen beschrijven, net zolang
tot ze er bijna zijn—word dan, vanzelf

een componist uit een klein land
dat niet mee hoeft te doen omdat ze

voldoende muren hebben, dalen, bomen,
lange wegen waar niet veel voorbijkomt

MANUEL BLANCAFORT de ROSSELLÓ: CHEMINS (CAMINS) (1920-1923)

Beschrijving : Vier korte stukken van verschillende lengte :

1. Chemin du solitaire (Camí del solitari)
2. Chemin de fête sans joie (Camí de festa sens alegria)
3. Chemin de la dernière rencontre (Camí del darrer encontre)
4. Chemin sur la colline (Camí damunt del turó)

Moeilijkheid : Ongeveer 6/10

Verkrijgbaarheid : Tegenwoordig bij Éditions Salabert.

 

BlancafortMompouartikel

Soms moet je gewoon kijken: symbolische, mystieke titels in het Frans en Catalaans,
en een opdracht: a l’amic Frederic Mompou. En de muzikale overeenkomsten.

Manuel Blancafort de Rosselló (1897-1987), hoewel hij zijn eerste muzieklessen van zijn vader kreeg, en later harmonieles had van Lamote de Grignon, is eigenlijk de onbekende jongere broer van Frederic Mompou. Die spoorde hem aan door te gaan met componeren tijdens hun lange gezamenlijke verblijven in het familiekuuroord Balneario Blancafort in La Garriga, bij Barcelona. Ze zijn levenslange vrienden gebleven.

Manuel Blancafort werkte als jongeman in de fabriek voor pianolarollen van zijn vader, en reisde daarvoor de hele wereld over, begon later een fabriek voor schoonheidsproducten (“Perfumes Blancaflor”), een kosmetikalaboratorium, werkte voor een verzekeringsmaatschappij, en voor de uitgeverij Ariel. Dit om een gezin van uiteindelijk elf kinderen te onderhouden. En ondertussen componeerde hij, liefhebber van stilte en afzondering, en was nauw betrokken bij het muzikale leven in Catalonië…

En je kunt je ogen sluiten en het landschap er zo bij verzinnen – en je flink belachelijk maken, als de tijden veranderen, of er komt informatie beschikbaar. Dat gaan we dan ook meteen maar doen. De tijden zijn allang veranderd.

1. Weg van de kluizenaar

Pianissimo, murmuré: het komt in lagen, in dit geval drie, wijd uiteen klinkend. Een eentonig voortgaande lijn die onregelmatig langs dezelfde paar tonen dwaalt, een horizon? Een steile, lege dieptefiguur eronder. En daar boven overheen een simpele, stijgende en dalende melodie die maar niet lijkt te weten waarheen, telkens eindigend op een enkele trage pralltriller, wat hoger, wat lager. Het stokt.

Dan een soort onhandige dans, telkens enkele stappen van lege stapelkwinten, wat korter, wat langer, herinnering waarschijnlijk aan vrolijkheid (deze indirectheid duidelijk hoorbaar). Het klinkt als een droog, rotsachtig landschap waar telkens even flarden betekenis verschijnen, in schijnbaar toevallige, hoekige sprongen, eindigend in een uitbarsting van…ja, van spijt?

Nee, genoeg nu. Dit is niet het hele stuk, en de andere drie zijn even zonlichtscherp en beeldend. De muzikale middelen: wijde, onafgesloten samenklanken, of juist dicht, en wringend, alsof elke samenklank opnieuw verzonnen, geproefd wordt. Zoekende, aarzelende melodieën, koppige ritmes, stilstand, plotselinge beweging, harde contrasten, en het telkens als bij toeval ontstaan van tussenlagen, tegenstemmen. En toch blijft het altijd zacht klinken, melancholisch.

Deze muziek wil zichzelf van de bodem af opnieuw horen, om te zoeken naar de ongehinderde uitdrukking van haar droomheldere woordenloze beelden. Het is geen gezelschapsmuziek, het is voor ieder van ons afzonderlijk, voor de dromer in de stille, afgesloten wereld van onze eenzame uren.

Spelen!

STEPHEN HELLER: op. 119, 32 PRÄLUDIEN FÜR LILI (1867)

STEPHEN HELLER: op. 119, 32 PRÄLUDIEN FÜR LILI (1867)

Beschrijving: 32 korte tot zeer korte stukjes zonder titel.
De volgorde is naar toonsoort, de kwintencirkel langs (groot & klein); eerst de kruisen, vanaf nr. 16 de mollen.

Moeilijkheid: merendeels 4/10

Verkrijgbaarheid: wordt niet meer gedrukt (voor zover ik weet)! Antiquarisch nog redelijk goed te vinden.

Hellerartikel

Stephen Heller (1813-1888), geboren in Budapest, en na een traumatische periode als rondreizend wonderkind in 1830 in Augsburg gestrand, woonde vanaf 1838 in Parijs. Bevriend met beroemdheden als Schumann, Berlioz, Chopin en Liszt, leefde hij, steeds meer afzijdig van alle modieuze drukte, voor de muziek, zijn geliefde boeken, en veel te veel sigaren. Vanaf 1871 werd hij langzaam maar zeker blind. Van zijn 158 opusnummers (allemaal voor piano!) worden er nog maar een stuk of zes gedrukt. En dat is doodjammer!

In 1911 schrijft Rudolf Schütz over opus 119: Es wird in der gesamten ungeheueren Klavierliteratur nicht leicht ein Werk nachzuweisen sein, daß bei so mäßigen Ansprüchen an die Technik des Spielers einen so reichen Inhalt mit großem Wohllaut in kleinsten aber immer interessanten anmutigen Formen zum Ausdruck bringt. (…) Spiele selbst und empfinde!

(er is in de enorme verzamelde pianoliteratuur niet gemakkelijk een werk aan te wijzen, dat, met zo geringe eisen aan de techniek van de speler, met grote welluidendheid zo’n rijke inhoud tot uitdrukking brengt in de kleinste, maar altijd interessante en bekoorlijke vormen. (…) Speel zelf en ontdek het!)

…en dat geldt nog steeds in het alsmaar ungeheuerer labyrint van de pianomuziek. Helder als water klatert het ene stukje over het andere heen, sommige slechts twee regels kort, maar altijd sfeervol, contrastrijk, precies en liefdevol, en vaak verrassend grillig. Veel stukjes praten, of beelden een korte dramatische scène uit. Andere zingen een oud lied, of een eenzame melodie, of een onbezorgd wandeldeuntje waar de wind doorheen waait. Je hoort het, en het is alweer voorbij. Heller, stads-, kamerbewoner, kluizenaar: veel heeft natuurlijk met de natuur te maken, een glinsterende natuur die nooit echt bestaan heeft, behalve gedurende korte momenten, of in romantische verhalen, gedichten en schilderijen. En in films, geshopte foto’s, toeristenbrochures en mythische games, kortom in de hoofden van ons, dromende stedelingen, want we herkennen hem.

En het is Duitse muziek, en Duitse natuur. Niet verwonderlijk voor een levenslange bewonderaar van Schumann. Heller correspondeert al vanaf 1835 met hem, en schrijft voor het door Schumann opgerichte Nieuwe Tijdschrift voor Muziek. Schumann bespreekt daar bovendien zeven van Hellers opusnummers, noemt hem een echte romanticus, een kunstenaarsnatuur, en zegt dat ze veel gemeen hebben.

Natuurlijk zijn er verschillen. Heller bestrijkt een veel beperkter terrein. Hij schrijft zijn hele leven lang alleen voor de piano, en voelt zich duidelijk het meeste thuis in de kleinere, de kleinste vormen. Zijn muziek, hoe alert en vindingrijk ook, is nooit streng of doorwrocht meerstemmig, nooit massief en overweldigend, maar blijft in wezen altijd naïef en direct; ingeving, melodie, harmonie. En klank! Daarin lijkt hij een beetje op Schubert. En heeft hij, via zelden begane paadjes achterlangs, misschien wel meer invloed dan wij weten op de Franse muziek van na zijn dood. Maar daarover een andere keer meer.